Home » De oprichting van de AVN

De oprichting van de AVN

In de jaren twintig van de 20ste eeuw werd de gemeente Den Haag van meerdere kanten bestookt met ‘wensen, raadgevingen en verwijten op het gebied van de groenvoorziening’.

Liesbeth van Kuijk. Uit: ‘Honderd jaar natuurlobby’. Foto: Hetty Mos

Deze waren afkomstig van groenverenigingen en ‘particulieren’ (H.A. Koops in ‘Den Haag; veertig jaar natuurbescherming’). In 1925 was de Haagse Vogelbescherming opgericht en was ook de Nederlandse Natuurhistorische Vereniging actief op dit gebied. Op persoonlijke titel hadden er enkele leraren ‘plant- en dierkunde’ met initiatieven aangeklopt bij de gemeente. Gemeentelijk directeur van Onderwijs, Gerrit van Poelje, bedacht toen dat het handig zou zijn dat deze groepen zich zouden bundelen in één vereniging, die dan de enige gesprekspartner werd van de gemeente. Op 25 september 1926 werd de Algemeene Vereeniging voor Natuurbescherming voor ’s-Gravenhage en omstreeken (AVN) opgericht met Schierbeek als voorzitter. Het belang dat de gemeente hechtte aan deze vereniging blijkt uit het feit dat behalve Van Poelje ook de directeur van Stadsontwikkeling (Bakker Schut) en de directeur van de Plantsoenendienst (Simon Doorenbos, 1891-1980) in 1927 zitting namen in het ‘definitieve’ bestuur en ook lange tijd bestuurslid bleven.

Doelstellingen van de vereniging
In het eerste jaarverslag worden de ‘hoofdmotieven’ als volgt omschreven: ‘De Vereeniging stelt zich ten doel Natuurbescherming en bevordering van Natuurstudie, een en ander in de ruimste zin en zooveel mogelijk in overleg en in samenwerking met de daarvoor aangewezen autoriteiten, in het bijzonder die van de gemeente ’s-Gravenhage.’

Tot ‘natuurschoon’ rekent men ook ‘aardige boerderijtjes en oude bruggetjes’. De bescherming kan zich uitstrekken tot het in beheer nemen en zelfs aankopen van gebieden. Schierbeek had een voorkeur voor de wilde natuur, maar kon zich ook verzoenen met cultuurlandschap: “In de loop der eeuwen heeft de kunstmatige schepping [de landgoederen, red.] zich echter zo schitterend ontwikkeld, dat wij dit als de ‘echte natuur’ prijzen. Dit geeft in ieder geval hoop voor de toekomst,…”. Om de doelen te bereiken zal de AVN ook ‘propaganda’ bedrijven, waaronder het ‘uitgeven van geschriften’.

Wapendal, eendenkooi en vogeltuin
In de eerste jaarverslagen van de AVN kan men lezen hoe de oorspronkelijke doelen van de nu samenwerkende partijen in de praktijk worden getest. Van voor de oprichting lagen er al twee voorstellen op tafel, die meteen de insteek van de nieuwe vereniging lieten zien. De schaarse stukken ‘ongerepte natuur’ moesten zoveel mogelijk bewaard blijven, de ‘natuurmonumenten’. De NNV wilde het oude duinterrein bij de Bosjes van Pex, Wapendal, in zijn oude staat behouden toen de gemeente er een plantsoen wilde aanleggen. Wapendal is het laatste stukje ‘oud duin’, met zijn typische kalkloze grond, waar hei en brem goed gedijen. De raadsvergadering besloot de wens van de AVN in te willigen en omrasterde het terrein.
Een tweede wapenfeit van het eerste uur is het behoud van de al bestaande eendenkooi in het te ontwikkelen Zuiderpark. Dit was een ‘menselijke inrichting’ uit de Middeleeuwen en bevond zich nog steeds in dezelfde staat. Hier gold het oude kooirecht, dat elk rumoer in een straal van minstens 1000 meter verbood, ‘zooals het gebruikmaken van vuurwapenen’. Ook een brede gracht beschermde dit gebied met ‘wilde fauna’ en een ‘rijk vogelleven’. De eendenkooi in de Escamppolder (Zuiderpark) is weliswaar door mensen in de Middeleeuwen ingericht, echter met als gevolg dat het een uniek voorbeeld was van ‘ongerept natuurschoon’, waar zeldzame vogels broeden, zoals de bosrietvogel, de spotvogel en de watersnip. Ook kunnen er eenden geringd worden voor onderzoek naar trekgewoonten, een ander doel van de vereniging: het vergroten van de kennis van de natuur.

De Haagse Vogelbescherming had het idee op het terrein van de oude kwekerij bij de Bosjes van Poot een vogeltuin in te richten ‘in den geest van dien van Jac. P. Thijsse te Bloemendaal’. Dit gebiedje wilde men geschikt maken om als veilige broedplaats voor vogels te dienen, want ook 100 jaar geleden was men zich bewust van het teruglopen van de vogelstand in de drukke stad. De gemeente Den Haag was bereid hiervoor 500 gulden ter beschikking te stellen, omdat het behoud van de eendenkooi en Wapendal samen een besparing van 50.000 gulden had opgeleverd!

De reden van bestaan van de AVN was de wens van de gemeente geweest om één overlegorgaan van gebundelde natuurverenigingen als gesprekspartner te hebben. Voor die verenigingen was een rechtstreeks contact met de directeur van de Plantsoenendienst Simon Doorenbos nuttig om op de hoogte te blijven en invloed uit te kunnen oefenen ‘om kleine verstoringen door de stadsplanning te voorkomen.’ Van haar kant zag de AVN het als haar taak een ‘nauwkeurige studie’ te verrichten, bijvoorbeeld in het geval van Ockenburgh:

‘ten einde aan de autoriteiten een goed advies te kunnen geven, welke gedeelten van deze terreinen uit een oogpunt van natuurschoon het meest in aanmerking komen om beschermd te worden, en welke aan de jeugd als speelterreinen kunnen worden toegewezen of als wandelpark behouden dienen te worden’. Met als toevoeging, dat voor het wandelpark ‘uitsluitend aan leden van onze vereniging toegangskaarten worden verstrekt.’ Deze driedeling is een terugkerend patroon in de bespreking van acties van de AVN: de ‘monumentgedachte’, het gedeeltelijk toegankelijk maken van het gebied voor de rustige wandelaar en de ruimer opgevatte recreatie van vooral de jongeren. Schierbeek ging zelfs zo ver dat hij rekening hield met de ‘proppeschietende jeugd’ die zich kon bedienen van de besjes van de vlierstruik.

Het recreatieargument speelde ook een rol in een wat verrassende actie, eveneens al in 1926, tegen de dreigende demping van de Reeuwijkse Plassen. Het begrip ‘en omstreeken’ werd hier wel behoorlijk opgerekt. Schierbeek benadrukte herhaalde malen de mogelijkheid voor de Haagse bevolking om aldaar te recreëren, zeker gezien de opmars van de auto. Al zal ook het voorbeeld van het Naardermeer als eerste Nederlandse natuurmonument hebben meegespeeld. Ook deze actie had succes en vervolgens propageerde Schierbeek een microbiologisch onderzoek, waarbij geconstateerd werd dat de verschillende plassen een ander klimaat voor micro-organismen hadden.