De merel
Adri Remeeus. Foto Wim de Koning Gans
Herkenning
Het mannetje heeft een volledig zwart verenpak waarbij de gele of oranjeachtige snavel fel afsteekt. De vrouwtjes moeten zich tevredenstellen met een sober donkerbruin uiterlijk. Ook jongen hebben zo’n bruinig pak, maar in de herfst kleurt dat door rui uit naar het zogenaamde volwassen kleed; mannetjes worden dan zwart.
De merel staat bekend om zijn fraaie zang die in stad en land te horen is. In de loop van de winter laat hij zijn prachtige rollende en fluitende zang al horen en tot diep in het voorjaar gaat hij daarmee door. Een vochtig weertype schijnt als een stimulans te werken.
Verspreiding
Merels broeden in een groot deel van Europa, Noordwest-Afrika en Zuidwest-Azië. In Europa worden de noordelijke en oostelijke broedgebieden in de herfst verlaten. Bij ons is hij het hele jaar aanwezig. Wel schuift hij in de wintermaanden meer op naar steden en dorpen vanwege de aanwezigheid van voedsel, besdragende heesters en een wat milder microklimaat.
Aantal broedparen
Waar bomen of struiken groeien, zijn merels. Zelfs het kleinste tuintje in hartje Den Haag kan een broedpaar bevatten. Nederland telt 700.000 tot één miljoen broedparen. Wel is er de laatste jaren een licht dalende trend waarneembaar. Die afname wordt vooral veroorzaakt door het ‘usutuvirus’. Dit virus wordt door muggen overgedragen maar is ongevaarlijk voor mensen. Ook het verstenen van tuinen speelt mee.
De merel broedt van half maart tot eind augustus en produceert binnen die periode twee legsels (soms drie) met elk vier tot vijf eieren. Het vrouwtje bouwt het nest en doet dat bij voorkeur in dichte struiken, lage bomen of klimop.
Dichtheden van 300 paar per 100 hectare zijn aan te treffen in ruim opgezette woonwijken met veel groen en in kleinschalig cultuurland met heggen en bosjes.
Gedrag van bos- en stadsmerels
De merel is het schoolvoorbeeld van een van nature schuwe bosvogel die zich de afgelopen twee eeuwen ontwikkelde tot een succesvolle cultuurvolger. Hierdoor kon de populatie sinds het begin van de 20e eeuw sterk groeien. Maar zijn stadse merels verschillend van ‘bosmerels’? Menno Schilthuizen, een evolutiebioloog, stipte dit thema aan in zijn vertaling van het boek ‘Darwin comes to town’ (‘Darwin in de stad’). Inderdaad zijn er wat kleine verschillen, zo blijkt uit diverse onderzoeken. In drukke stadscentra beginnen merels al drie uur voor zonsopkomst te zingen; door aanpassing hebben ze geleerd het drukke verkeer met auto’s en trams voor te zijn, zodat hun zang hoorbaar blijft voor soortgenoten. ‘Bosmerels’ daarentegen beginnen pas een uurtje voordat het licht is te fluiten. Ook beginnen stadsmerels eerder in het jaar te broeden dan de merels in de buitengebieden. Een ander verschil zit hem in de schuwheid. Stadsmerels ogen relaxed en schrikken niet van wandelaars; dit in tegenstelling tot merels in (grotere) parken, bossen en duinen. Zoals iedereen kan vaststellen, zijn die daadwerkelijk wat schuwer.
Overigens kreeg het boek ‘Darwin in de stad’ in 2018 de Jan Wolkers Prijs als ‘beste natuurboek 2018’ en is het het lezen meer dan waard.
Predatie
Nesten van merels zijn soms makkelijk te vinden. Dat geldt zeker in het begin van het seizoen als er weinig blad aan de struiken zit. Vaak vallen eieren en jongen dan ook ten prooi aan katten en kraaiachtigen; ook snoeiwerkzaamheden kunnen schade aanrichten.
Dat lijkt dramatisch, maar bedacht moet worden dat predatie een natuurlijk proces is en er altijd is geweest. Elk organisme heeft voedsel nodig. Merels kunnen het natuurlijke verlies compenseren door veel jongen groot te brengen. Die jongen blijven 12 tot 15 dagen op het nest. Als ze zijn uitgevlogen, worden ze nog twee tot drie weken verzorgd; vaak door het mannetje alleen, omdat het vrouwtje al weer aan een nieuw broedsel begint.
Waar kunt u hem aantreffen?
Met bijna één miljoen broedparen is het niet moeilijk om merels te vinden. En in de winter, als Noord-Europa leegstroomt, komen er nog meer merels bij. Het aantal overwinteraars bij ons wordt geschat op een kleine 3 miljoen. In de loop van oktober arriveren zij. Ze trekken meestal
’s nachts maar ook wel overdag. Zo trokken op 27 oktober 2014 ruim 5000 merels over het Westduinpark.
Het is dus geen probleem merels te vinden in het AVN-werkterrein. En om de merel te helpen kunnen wij zelf veel doen. Denk aan het aanleggen van grasveldjes met besdragende struiken, fruitbomen (beide voor voedsel) en het planten van struiken, hagen en klimop om in te broeden of dekking in te zoeken. Ook goed is het in de herfst aanharken van blaadjes onder de struiken. Daar komen insecten en wormen op af en dat is prima voedsel voor de merel om de winter door te komen.

































Ontwerp, realisatie en techniek: