Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor 's Gravenhage en omstreken
AVN site » Haagwinde » Leegte in het boerenland

Leegte in het boerenland

Onze oer-Hollandse polders kunnen zo mooi zijn. Velden vol prachtige bloemen, overal libellen en vlinders, kwakende kikkers en een bont gezelschap van luidruchtige weidevogels. Een levendig landschap waar we tegenwoordig helaas steeds meer naar moeten zoeken. Alle weidevogelsoorten gaan in snel tempo achteruit. Kan dat tij nog gekeerd worden?

Door: Adri Remeeus
Uit allerlei onderzoeken is gebleken dat de  de achteruitgang komt door een achterblijvende jongenproductie. Er worden te weinig jongen volwassen. Zo vlogen in Nederland in 2016 op zo’n 35.000 paartjes grutto (nota bene onze nationale vogel!) slechts 4000 jongen uit. Weidevogels kunnen alleen gedijen in een voor hen ideaal leefgebied: natte bodems met wormen, rust om eieren te kunnen uitbroeden, insecten waarmee de jongen zich groot kunnen eten en hoog gras om zich te kunnen verstoppen voor vijanden. Dergelijke landschappen zijn zeldzaam geworden. De meeste boeren zien zich gedwongen om - in regelmatige cycli van maaien, schudden, rapen en bemesten - zoveel mogelijk gras van het land te halen, zodat hun koeien zoveel mogelijk melk geven die de supermarkt tegen een zo laag mogelijke prijs koopt.

Achteruitgang in kaart gebracht
De afgelopen 30 jaar zijn de landelijke aantallen weidevogels fors gedaald. Zo ging de kievit met 50% achteruit, de grutto met 60% en de scholekster met 65%; de veldleeuwerik is bijna verdwenen. Deze afname bleef lange tijd gemaskeerd, omdat de oudervogels de gewoonte hebben jaar op jaar naar dezelfde broedplek terug te keren. Weidevogels kunnen behoorlijk oud worden, maar zij hebben natuurlijk niet het eeuwige leven. Afgaande op de nu bekende gegevens lijkt het erop dat  de optelsom van achterblijvende jongenproductie en natuurlijke oudersterfte nu tot een accelaratie van de afname leidt.

Predatie
Ook predatie wordt genoemd als oorzaak van de achteruitgang. Overigens, predatie is van alle tijden; er is nog nooit een diersoort uitgestorven door toedoen van een andere diersoort. Maar natuurlijk vallen er weidevogels, eieren en kuikens ten prooi aan roofdieren. Over de rol van predatie zijn veel misverstanden. Zo wordt de buizerd van van alles en nog wat beschuldigd. De buizerd richt zijn vizier echter voornamelijk op kleine zoogdieren als veldmuizen en mollen. Uit gericht onderzoek (voedselafdracht bij nesten en maagonderzoek) blijkt dat weidevogels nauwelijks in zijn dieet voorkomen. Dan is er Reintje de vos die wel raad weet met gedekte tafels. Maar zoals elk roofdier richt ook hij zich op de talrijkste prooien: muizen en ganzen.
Ganzen worden vaak als probleemsoort beschouwd, met als antwoord verjaging en/of afschot en daarmee onrust in natuurterreinen.
Ook blauwe reiger en, in mindere mate, ooievaar kunnen zich tegoed doen aan jonge weidevogels. In feite is dat uitwijkgedrag want ook hun primaire voedsel (grote insecten, amfibieën) is sterk afgenomen. Het is dus belangrijk omstandigheden te scheppen, waarin ook de waterfauna (waaronder kikkers) weer kan floreren. De predatiedruk op weidevogels zal dan afnemen.

Zonder boeren geen weidevogels
Weidevogels hebben halverwege de vorige eeuw sterk kunnen meeliften met de opkomst van de agrarische wereld. Boer en weidevogel was lange tijd een goed huwelijk. Vervolgens kwam de intensivering binnen de agrarische bedrijfstak; de weidevogels konden die snelle veranderingen niet bijbenen. Gelukkig ziet een toenemend aantal boeren in, dat landbouwbeleid helemaal niet ten koste hoeft te gaan van natuurbehoud, maar dat ze elkaar zelfs kunnen versterken zonder dat de boer brood op de plank misloopt. Het kan, maar daar is wel iets voor nodig, zoals:
  • zorgen voor rust, indien mogelijk tot half juni (het broeden neemt vier weken in beslag; daarna duurt het nog vier tot vijf weken voordat de jongen uitvliegen);
  • zorgen voor kruidenrijk grasland, waar veel insecten op afkomen (bedenk dat een kuiken per dag 1000 insecten nodig heeft);
  • zorgen voor nattigheid; 
  • vaste mest uitrijden (blijft langer op het land liggen en trekt insecten aan);
  • openheid van het land (bomen en struiken fungeren als uitkijkpost voor roofdieren).
Dit alles onder de noemer ‘natuurinclusief boeren’: de kwaliteit van de natuur inzetten voor voedselproductie en daarmee tegelijkertijd de natuur robuuster en gevarieerder maken.

En de consument?
Natuurlijk spelen wij als consumenten ook een rol in dit verhaal. Dat zit al in kleine dingen. Het is weinig moeite om in de supermarkt op zoek te gaan naar biologische zuivel. Het kost iets meer, maar hebben wij dat niet over voor het goede doel?
Verder zijn er biologische boeren die hun producten verkopen in een winkel op hun erf. Ook op boerenmarkten is biologische zuivel te koop. Of bestel via websites als redderijkeweide.nl en weidewereld.nl.
Alle goede initiatieven, van zowel boeren als weidevogelbeschermers ten spijt is er ook het besef dat er meer nodig is om weidevogels te redden. Alleen een drastische verandering in het (Europese) landbouwbeleid, waarvoor de politiek zich moet inspannen, kan ervoor zorgen dat de weidevogels het straks weer goed hebben in ons land en dat de boer rendabel kan blijven boeren omdat hij een vergoeding krijgt per weidevogelvriendelijke hectare land.