Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor 's Gravenhage en omstreken
AVN site » Haagwinde » De kornoelje: zowel struik als boom

De kornoelje: zowel struik als boom

Het verschil tussen boom en struik is bij de meeste houtige gewassen al vanaf het ontkiemen goed te zien. Zo vormen eiken, esdoorns en populieren al meteen een enkelvoudig stammetje. Anders is dat bij bomen als de Perzische ijzerhoutboom (Parrotia) en de  Turkse iep (Zelkova), die vlak boven de grond al zijtakken ontwikkelen. Hier is dan nog wel sprake van een korte enkelvoudige stam die goed herkenbaar is. Er zijn echter ook planten, die zowel in struik- als in boomvorm voorkomen of waar de struik later uitgroeit tot een boom. Hierbij is het onderscheid minder duidelijk. Tot deze groep behoort de gele kornoelje.

Door: Jaap van Loenen

Wij kennen twee soorten kornoeljes: de gele en de rode, die beide inheems zijn. In het wild komen ze voornamelijk voor op kalkhoudende gronden in de zuidelijke provincies waar ze inmiddels als zeer zeldzaam te boek staan. In de noordelijke provincies treffen we ze als cultuurplant veel in tuinen en parken en soms in de duinen.

De gele kornoelje (Cornus mas)

Als hij tijd en ruimte krijgt, groeit de gele kornoelje vaak uit tot een boom en kan dan een hoogte van 8 meter bereiken. Heel vroeg in het jaar, in begin februari, staat hij in bloei. Dat is lang voordat de bladeren ontluiken en omdat de bloempjes vrijwel geen steeltje hebben, is het alsof de kale twijgen bloeien. Men noemt de gele kornoelje daarom ook wel ‘bloeiend hout’.
De vierbladige gele bloempjes zitten in bosjes bijeen.  Ze hebben vier meeldraden en één stamper, waaronder na bevruchting een rode steenvrucht ontstaat ter grootte van een kers. Meestal is die pas eind september rijp en ook eetbaar. Deze vrucht bevat een zeer hoog gehalte aan vitamine C en werd vroeger als geneesmiddel gebruikt. Maar de vrucht is ook heel geschikt om er jam van te maken.  In pure vorm smaakt hij wat wrang. Aan de heldergele kleur van de bloempjes dankt de plant zijn Nederlandse naam.
Een bloeiende gele kornoelje lijkt op afstand veel op de toverhazelaar. Die bloeit in dezelfde tijd met eveneens kleine gele bloemtrosjes aan kale takken. Dat geeft wel eens verwarring, maar de bloeiwijzen verschillen duidelijk van structuur en opbouw.

Bijzondere bladeren
Wanneer de bloemen zijn verdwenen en de vruchten nog niet te zien zijn, vormen de bladeren een belangrijk herkenningspunt. Ze zijn overstaand en kruisgewijs gerangschikt en lijken nogal op die van de wegedoorn en de wilde kardinaalsmuts. Daarvan zijn de bladranden echter gekarteld en gezaagd en de  bladeren van de kornoelje zijn gaafrandig. De zijnerven zijn niet recht maar buigen wat met de bladrand mee naar de top. Een interessant kenmerk is dat, wanneer je een blad in de helft doorbreekt, de nerven of liever de vaatbundels een brug blijven vormen tussen de beide helften. Die zijn daardoor alleen met enige moeite te scheiden. De gele kornoelje heeft opvallend lange toegespitste bladeren. De bovenkant is iets glanzend.
Hoewel hij oorspronkelijk niet in de duinen thuishoort, is hij toch een kensoort van het zogenaamde ‘Ligusterverbond’ dat kenmerkend is voor de kalkrijke duinen.  Hier leven voornamelijk doornachtige struiken zoals berberis, duindoorn, egelantier, wegedoorn, kardinaalsmuts en wilde liguster samen.

De rode kornoelje (Cornus sanguinea)
Van de rode kornoelje is alleen de struikvorm bekend. Hij dankt zijn naam aan de door de zon rood gekleurde twijgen. Soms heeft de gele kornoelje ook wel eens een rode twijg, maar meestal zijn die opvallend groen. De blaadjes zijn wat kleiner en bijna rond met een klein spits topje. Anders dan bij de gele kornoelje verschijnen er pas bloemen als de struik al in blad staat. De heel kleine vierbladige witte bloempjes vormen tuiltjes of schermpjes. Ze hebben ook één stamper met een onderliggend vruchtbeginsel en vier meeldraden. Deze plant heeft kleine, zwarte besachtige steenvruchten. Vaak is er in het najaar een tweede bloei.

Het hout
Eén van de Engelse namen voor de kornoelje is ‘dogwood’. Die naam heeft niets met honden te maken, maar is afgeleid van dagger, daggerwood, dolkenhout dus. Ook de wetenschappelijke naam Cornus verwijst naar hardheid en de gele kornoelje heeft bovendien nog de toevoeging  ‘mas’, mannelijk.  Ooit werden er bogen van gemaakt.
In latere perioden trof je de plant wel aan bij windmolens. Als er een onderdeel van het (houten) drijfwerk moest worden vervangen, had men het hout daarvoor bij de hand. Verder leende het zich tot het maken van wandelstokken en stelen van gereedschap bijvoorbeeld van hamers. Door de fijne structuur kan het ook voor houtdraaiwerk dienen.

Sierwaarde

Tegenwoordig is de gele kornoelje vooral belangrijk om zijn sierwaarde. Vroeg in het jaar al, als de hele natuur nog stil lijkt te staan en alles er grauw en levenloos uit ziet, verschijnen de helder gele bloemetjes als een belofte dat alles weer goed komt. Een van de eerste lenteboden. Alle reden dus om ook deze zeldzaam wordende boom een plaats te laten behouden.