Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor 's Gravenhage en omstreken
AVN site » Haagwinde » De kleine bosmuis, een mini-kangoeroe

De kleine bosmuis, een mini-kangoeroe

In Nederland kennen we twee soorten bosmuizen. De grote bosmuis ook wel geelhalsbosmuis genoemd en de kleine bosmuis. Eerstgenoemde is vrij zeldzaam en treffen we alleen in Zuid Limburg en Oost Nederland. De kleine bosmuis (Apodemus sylvaticus) is zeer algemeen en in bijna alle landschapstypen op droge grond te vinden.

Door: Frederik Hoogerhoud
Mijn eerste kennismaking met dit muisje was een totale verrassing. Bij de winterschoonmaak van nestkastjes trof ik eens een tot de nok gevuld kastje met nestmateriaal. Mijn eerste gedachte was: “nest winterkoning”; maar tot mijn schrik sprong er een tiental grijsbruine beestjes uit die met onwaarschijnlijk grote sprongen het bos in vluchtten. Ze gedroegen zich als kleine kangoeroes, maar de zoogdierengids vertelde mij dat het bosmuizen waren die hun nesten in holle bomen of in de grond maken. Nestkastjes gelden als surrogaat holle bomen en zijn dus prima geschikt. Omdat ik niet wist of de bewoners nog afhankelijk waren van hun woning heb ik het nest maar laten zitten. Later hoorde ik van andere vogelwachters dat zij dezelfde ervaringen hadden.

In vogelrustgebied Marlot fotografeerde ik afgelopen twee winters de bezigheden van deze snelle jongens. Omdat ze meestal tegen de schemering naar buiten komen, had ik flitslicht nodig. Daar schrokken ze niet eens van en ze gingen gewoon door met hun belangrijkste activiteiten: boksen en eten. Dit laatste was de reden van hun aanwezigheid want in een vogelrustgebied worden vogels met extra voer de winter doorgeholpen. Aangezien vogels net zoveel morsen als ze opeten, liggen er veel zaadresten op de grond en dat trek weer andere dieren aan. De grootste consument bleek de bosmuis. Een snel bewegend zoogdiertje van hooguit 10 cm groot, exclusief zijn lange staart. Verder zijn grote oren, spitse snuit en grote kraaloogjes de uiterlijke kenmerken van deze ‘ware muizen’. Ze wegen maximaal 30 gram. De exemplaren voor mijn camera waren echter niet groter dan 7 cm. De jonge dieren uit de nestkast zijn met 4-5 cm nog kleiner. Die jongen beginnen hun leven met een grijs velletje dat na enkele weken lichtbruin wordt met zachtgele tonen. De buik wordt dan helder wit en de staart donker van boven en licht van onder. De voorvoetjes met vier tenen en de langere achtervoeten met vijf teentjes zijn roze of wit. Aan de borst zijn soms twee gele vlekken te zien.

Een dieet van zaden en paddenstoelen is niet voldoende voor een kansrijk nageslacht. Er moet eiwit gegeten worden in de vorm van spinnen, rupsen, vlinderpoppen en kevers. De meeste insecten zijn kansloos bij deze snelle jagers. Als de buit meer is dan de bosmuis direct kan opeten, wordt er voorraad aangelegd in duimgrote gaatjes in de grond. Als die vol zijn, worden ze dichtgeschoven en zijn ze onzichtbaar. Dat de muizen meer dan genoeg te eten hadden, heeft de beheerder van het vogelrustgebied gemerkt: de helft van zijn nestkasten werd bezet door bosmuizen. Om de vogels ook een rustige broedkans te geven, hebben we maar extra kastjes rondom het reservaat opgehangen. 

Veel beschikbaar eten betekent een klein territorium dat door het vrouwtje wordt bezet. De forsere mannetjes doorkruisen diverse territoria en komen dan in botsing met hun mannelijke buren. Als echte kerels betekent dat knokken en vooral op het eind van de wintermiddag is dit schouwspel vaak gade te slaan. In de meest comfortabele situatie, zoals in het vogelrustgebied, is zo’n muizenterritorium niet groter dan enkele vierkante meters.
Als je een uurtje stil in de observatiehut zit, is er dan ook enorm veel te genieten van al dat langs rennende dierlijk grut.